[A+] [x]
Aandoening: Ziekte van Bechterew
Ruggengraat
Kees van Hage
Pagina 3

...punten maakt. Langzaam,
heel langzaam verdwijnt mijn desinteresse in de sport om plaats
te maken voor een ander, nieuw gevoel, een soort geciviliseerde drift:
de wil om te winnen. Op een dag, als ik een wedstrijd afmaak met het
vijftiende punt, hoor ik ook uit mijn eigen mond een schreeuw.
Geschrokken kijk ik naar mijn gebalde vuist en van die vuist naar de
gezichten anderen: kan het wel wat ik hier sta te doen?
Hoe meer ik scoor, des te beter zie ik hoe moeilijk volleybal is. Een
onderhandse pass, een set-up en een smash - ik begin zelfs de termen te
leren - vragen veel training, om over het samenspel niet te praten, en
het is jammer dat we technisch en tactisch geen vorderingen maken. Al
wordt er nog zo fanatiek gespeeld, niemand van de groep wil ook maar
één minuut verspillen aan technische oefeningen. De therapeutes beginnen
er wel eens mee, maar iedere keer loopt dat initiatief stuk op de
demonstratieve traagheid van de groep. Het gaat niet om de slagen,
maar om de adrenalinestoten.
Ik ben voor het vierde jaar in het Jan van Breemen Instituut, als ik in een
heftig partijtje volleybal na een sprong voor het net een trap tegen mijn
linkerachillespees voel, en een harde trap ook. Bliksemsnel draai ik me
om.
Daar staat Jos.
‘Klootzak!’ bijt ik hem toe.
Mijn medepatiënt kijkt me een ogenblik stomverbaasd aan, maar zegt
niets terug, want het spel gaat door.
Ik besef dat hij twee, drie meter van me af staat en me onmogelijk
geraakt kan hebben.

Omdat de pijn aan de achillespees al een stuk minder is, besluit ik de
wedstrijd uit te spelen. Het opspringen bij het net kost me opeens veel
moeite, maar we staan een punt voor en ik wil winnen, liefst op mijn
eigen service.
De volgende dag ziet een buurman, orthopedisch specialist en virtuoos
knutselaar aan de Black & Decker-werkbank en de operatietafel,
me lopen. Hij komt meteen naar me toe. ‘Joh, je loopt of je je linkerachillespees
gescheurd hebt; als je verstandig bent, laat je er zo gauw
mogelijk naar kijken.’
Mijn huisarts verwijst me onmiddellijk naar de fysiotherapeute in het
gezondheidscentrum. Die bevestigt wat de orthopeed al dacht en ze
zegt erbij dat de oorzaken van de scheur wel eens zouden kunnen liggen
in de harde zolen van mijn goedkope schoenen, in een gebrekkige
warming-up en een te zware belasting van de zwakke plekken die de
peesaanhechtingen van een Bechterewpatiënt nu eenmaal zijn. Die
explosieve acties van het volleybal zijn niet zonder risico. De fysiotherapeute
doet er alles aan om de blessure te verhelpen, maar omdat littekenweefsel
geen veerkracht heeft, is mijn linkerachillespees verkort.
Blijvend. Als ik door de knieën ga en zie dat mijn linkerhiel eerder van
de grond komt dan de rechter, krijg ik hetzelfde gevoel als voor de röntgenfoto
van mijn geruïneerde rug: vrees voor verval van mijn lichaam,
panische angst om een lopend wrak te worden. Kunnen ze die pees in
het AMC niet oprekken? Geld speelt geen rol en pijn ook niet.
Als ik vier weken later weer in de Grote Oefenzaal ben, ga ik zodra ze
om kwart voor tien het net ophangen in staking. Ik volleybal niet meer.
Nooit meer. Ze bekijken het maar.
‘Het is toch echt goed voor je,’ beweert Marianne. ‘Dat heb ik gemerkt,’
zeg ik, het pijnlijke litteken aan mijn achillespees betastend. Zij had die
blessure kunnen voorkomen en op zijn minst kunnen opmerken. ‘Nee,
ik stop ermee. Trouwens, dat slaan van die bal is gevaarlijk voor mijn
vingers en zoals je misschien weet ben ik musicus.’
‘Dan stel ik voor dat je het laatste kwartier voortaan duurtraining
doet op de fietsergometer of, zodra je pees weer belast kan worden, op
de tredmolen.’ Nooit zit Marianne Nooitgedagt om een antwoord verlegen,
nooit twijfelt ze en nooit wordt ze moe. ‘Fietsen en hardlopen
zijn ook goed voor je.’
Als je met iemand in gesprek bent, kijk je hem niet de hele tijd aan,
maar slaat af en toe je ogen neer of kijkt opzij. Maar Marianne blijft me
recht aankijken met haar lichtblauwe ogen. ‘Ìk kan je niet beter maken,’
zegt ze. ‘Je moet het zelf doen. Ik kan je alleen de weg wijzen.’
Het zal wel, denk ik en houd me doof. Nu moet ik op een fatsoenlijke
manier naar de kleedkamer zien te komen. Het is moeilijk een houding
te vinden en niet sluipend, maar met een rechte rug en een
vanzelfsprekend gezicht de Grote Oefenzaal uit te lopen. Maar die moeite
heb ik er iedere keer wel voor over.
In de kleedkamer verkneukelt mijn slechtere ik zich ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.7/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 5