[A+] [x]
Aandoening: Ziekte van Bechterew
Ruggengraat
Kees van Hage
Pagina 2

...Dat is de zwaarste oefening. De gÍnantste
is het huppelen. Dertig jaar geleden heb ik dat voor het laatst gedaan en
het is goed dat geen buitenstaander de therapeute en haar huppelaars
ziet, want ze hebben wel iets van Sneeuwwitje en de zeven dwergen, die
Hey ho! Hey ho! zingend naar hun werk toe gaan. Tijdens de rekoefening
voor de bovenbenen, waarbij we de hiel van het te rekken been
naar de bil moeten trekken, lijkt de kring wankelende mannen aan het
wandrek een grove parodie op een groep balletdansers aan de barre.
De aanwijzingen die Marianne geeft zijn kort en krachtig, haar bewegingen
zijn doelgericht en haar lichte ogen kijken je strak aan wanneer
je in de buurt komt.
ĎAndere kant heen,í is het telkens, als een oefening links gedaan is en
dan rechts moet. Bizar, dat Ďheení. Waar komt dat mens vandaan?
Het enige goede aan deze groepstherapie is dat we geen gebruik maken
van de toestellen waar ik vroeger in de gymnastiekles op school zo
beducht voor was: het paard met de hoge rug waarover je een doodsmak
kunt maken, de gladde ringen, de handpalmen en wreven schurende
touwen, en vooral de rekstok, die de vertrouwde wereld op zijn
kop zet. We gebruiken alleen de matten, om oefeningen voor lenigheid
en kracht te doen. Vooral die in handen- en knieŽnstand zijn volgens
Marianne bijzonder goed; in de ene maak je je wervelkolom afwisselend
hol als een schonkige paardenrug en bol als een kattenrug, en in de
andere maak je een kwispelbeweging als een hond. Daar probeer ik
onderuit te komen; ik zie mezelf nog niet kwispelen voor die fysiotherapeute.
Het laatste kwartier is bestemd voor een partijtje volleybal. Ik ga er nog
meer van transpireren dan van het hardlopen, terwijl ik dat uur therapie
nu juist wou ondergaan als een regenbui waar ik zonder paraplu zo
droog mogelijk onder probeer te blijven.
In de kleedkamer is het een gedrang van zweterige lijven, met ieder een
eigen variatie op het thema stijve rug. De anderen praten niet allemaal
met de nasale Amsterdamse galm, maar degenen die het doen hoor je
boven alles uit. Ze hebben het over vakantie, over een gezellige groepsreis
naar Oostenrijk met allemaal reumapatiŽnten. Inteelt, bah.
ĎWat doene me? Gane me naar boven voor een bakkie koffie in de
ketine?í
Ongeveer de helft gaat mee. De rest moet naar zijn werk.
ĎJij, hoe heet je?í
Hoeheetje schudt zijn hoofd. Hij heeft de maandagochtend vrij, maar
drinkt zijn koffie liever thuis. Ondertussen geneert hij zich wel voor
zijn totale gebrek aan vriendschappelijke gevoelens voor zijn medepatiŽnten.
Maanden later weet ik nůg niet hoe de meeste anderen heten; zij weten
mijn naam ook niet en zelfs een paar patiŽnten die al jaren meegaan
lopen naamloos door de Grote Oefenzaal. Overbodig te zeggen dat ik
in het Jan van Breemen Instituut nog geen enkele vriend of zelfs maar
goede kennis heb. Natuurlijk komen we niet vrijwillig en hebben elkaar
niet uitgezocht, maar daar staat tegenover dat we lotgenoten zijn met
ťťn vast onderwerp van gesprek: de ziekte van Bechterew, en je zou toch
verwachten dat de gemeenschappelijke pijn en sores de banden verstevigen.
Soms probeer ik me kijkend naar mijn medepatiŽnten een noodsituatie
voor te stellen, een brand die ons insluit in de Grote Oefenzaal,
zonder Marianne, die even tevoren aan de telefoon geroepen is. De met
zware banken te rammen ruiten veranderen voor de duur van mijn ramp
in stevig gemetselde muren. Zou de groep zelfredzaam zijn? Wie zou een
vriend blijken, wie een vijand en wie een door de hele groep geaccepteerde
leider? Hoe zou ik me zelf gedragen? Het gedachtenspelletje
heeft komische, maar ook beangstigende kanten.
Volgens Marianne heeft het volleybal met zijn buig- en strekbewegin-
gen een goede invloed op de stijve rug van een BechterewpatiŽnt. Wat
ze niet zegt, is dat het wedstrijdje aan het eind van ieder uur therapie ook
dienen moet als pleister op de wonde. De meeste patiŽnten komen
eigenlijk alleen maar voor het volleybal en nemen de drie kwartier gymnastiek
die eraan voorafgaat op de koop toe. Degenen die de oefeningen
maar op halve kracht meedoen weten niet hoe gauw ze het net op
moeten hangen; pas bij het volleybal zijn ze echt wakker en schreeuwen
rauwe kreten door de zaal. Ik niet, want sport laat me koud.
Als ik die bal dan toch over het net moet slaan, dan maar zo hard
mogelijk, denk ik na verloop van tijd. De tegenpartij reageert daarop
door tegen me in stelling te gaan, en dat doet me heimelijk plezier. Na
honderden sets ben ik een speler die redelijk veel ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.7/5
Huidige waardering: 5