[A+] [x]
Aandoening: Ziekte van Bechterew
Ruggengraat
Kees van Hage
Pagina 1

Ik haat mijn lichaam.
Ik haat de dokter die me vertelde dat ik reuma heb.
Ik haat de onbekende fysiotherapeut en de patiënten met wie ik moet gaan
werken.


Vanuit mijn geparkeerde auto observeer ik als een privé-detective de
ingang van het Jan van Breemen Instituut. Witte taxi’s van het Verenigd
Ziekenvervoer Amsterdam rijden af en aan; veel passagiers hebben bij
het uitstappen hulp nodig van de chauffeur; sommigen strompelen op
krukken en een enkeling komt zelfs met een rolstoeltaxi. Daar hoor ik
niet bij: zó erg ben ik niet beschadigd. Ik kan ervandoor gaan, doen
alsof ik helemaal niets mankeer en leren leven met de voortdurende
pijn. ‘Uw rug kan nog wel stijver worden,’ zei dokter Linssen, toen ze in
het Academisch Medisch Centrum de diagnose ziekte van Bechterew
ofwel spondilytis ankylopoëtica stelde. Ik zie haar nog met die gelakte
nagel wijzen naar de röntgenfoto’s van mijn wervelkolom en mijn bekken,
naar de kapotte gewrichten tussen heiligbeen en darmbeen. ‘Spondylitis
ankylopoëtica betekent krom makende wervelontsteking,’
doceerde ze. ‘Sommige patiënten worden zo krom dat ze de horizon
niet meer kunnen zien. Hoewel dat bij u niet het geval zal zijn, want u
bent tamelijk recht verstijfd.’ Ik ben niet knap van uiterlijk en atletisch
al helemaal niet, maar die rechte rug en dat slanke postuur waren het
enige waarop ik trots was. Blijkt die rechte ruggengraat een starre bezemsteel
te zijn. ‘Meestal komt de ziekte op de middelbare leeftijd tot stilstand,’
zei dokter Linssen. Wanneer begint de middelbare leeftijd? Bij
veertig? Bij vijfenveertig? En moet ik in 1984, op mijn achtendertigste,
vol verwachting gaan uitkijken naar de jaren negentig, met de kans
dat ik voor niets uitkijk? ‘Dan is het zaak dat u zo soepel mogelijk bent,’
zei ze nog, op dat bekakte toontje. De minutenwijzer van de klok in
het dashboard verspringt. Als ik nog langer wacht, kom ik te laat op die
groepstherapie en trek nog eens extra de aandacht van de fysiotherapeut
en die groep.
Met in mijn hand het loopbriefje dat ze me bij de balie gegeven hebben
volg ik de route naar de Grote Oefenzaal. Net als de gang lijkt de
kleedkamer de set voor een film die moet spelen op een internaat in de
jaren vijftig. De verlichting brandt op halve kracht, het marmoleum op
de vloer is bij de plinten donker verkleurd en de kastjes zijn afgewerkt
met verschoten, splinterend fineer. Ik pak een hanger met de naam en
het telefoonnummer van een stomerij die vermoedelijk al lang ter ziele
is en berg mijn kleren op. Dan trek ik met een onwennig gevoel een Tshirt
en een korte broek aan. Wat zijn die benen onder mijn lichaam
wit en dun!
Grote Oefenzaal is een royale naam voor een grauwe, versleten gymnastiekzaal
met de irritant prikkelende lucht van rubber, kurk, touw,
leer, stof en vooral zweet, oud zweet. Er zijn ringen, touwen, halters,
ballen, rackets en hometrainers, maar omdat ik geen zin in beweging
heb, ga ik liever op een lange houten gymnastiekbank zitten wachten
tot het tijd is. Ik ben de eerste, zoals overal. Het is koud hier. Pas vijf
minuten later komen er andere patiënten binnen. Hoewel ik het liefste
helemaal niet op zou vallen, zint het me ook weer niet dat ze mij nauwelijks
zien en dat maar een enkeling een soort groet mompelt. Sommigen
gaan net als ik zitten kleumen op een bank, terwijl anderen een
volleybal pakken om die zwijgend rond te spelen.
Klokslag negen komt de therapeute binnen. Ze lijkt een sterke Friezin
of Scandinavische, want alles aan haar is licht: de huid, het haar, de
ogen en het vliesdunne pak van blauwe lycra. Marianne Nooitgedagt
is haar naam. Nomen est omen. En wat een stevige handdruk.
Op het moment dat ze me aanstreept op een presentielijst heb ik pas
echt het gevoel dat ik niet meer terug kan.
‘Vooruit, jongens, lopen!’
Hardlopen is het allerlaatste waar ik zin in heb. Het gaat stroef en het
duurt ook erg lang, want ik ben al aan mijn tiende rondje als het verlossende
‘Stop maar!’ klinkt. Hebben we nog maar drie minuten gelopen?
Is die klok aan de muur wel in orde? Ik ben nog niet eens behoorlijk
op adem gekomen als we opdracht krijgen opnieuw te gaan hardlopen,
nu met hielaanslag. Daarna met knieheffing. Die Marianne Nooitgedagt
schijnt zich niet af te vragen of mijn beschadigde rug en mijn ongetrainde
hart dit allemaal wel aankunnen. Zijzelf is een fervente sporter,
te oordelen naar die gespierde benen in dat strakke pak. Wanneer ze
‘Ja!’ roept, moeten we door de knieën zakken en vanuit die hurkzit zo
hoog mogelijk opspringen. ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.7/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 5