[A+] [x]
Aandoening: Dwangneurose
Leven onder dwang
Marieke van den Berg
Pagina 1

Nog steeds weet ik niet waar en vooral waarom ik ‘uitgekozen’ werd
om als slachtoffer van dwangmatige handelingen door het leven te gaan.
Het is mij ook niet duidelijk welke invloeden daar een rol bij speelden
of in hoeverre het al in mijn genen en karakter opgesloten zat, voordat
het de kans kreeg te ontsnappen.
Wel weet ik dat de aanzet van deze ontsnapping werd gelegd in het verpleegtehuis
waar ik destijds (zo'n vijfentwintig jaar geleden) werkte op
een afdeling met merendeels terminale patiënten.
Ik herinner mij duidelijk dat ik in een avonddienst stond te praten
naast het bed van een patiënt die misschien nog een paar weken te leven
had. De zon ging bloedrood onder en vulde de ziekenzaal met een prachtige
gouden nevel terwijl de doodzieke man met tranen in zijn ogen het
fascinerende kleurenspel in zich opnam.
Ik stelde mij voor hoe dat moest zijn: stervend kijken naar de laatste
stralen van de zon en weten dat je leven bijna voorbij is. Waarschijnlijk
had de man vroeger, lang voordat hij ziek werd, naar zonsondergangen
gekeken met zijn vrienden op een strand, met zijn vriendin op verre
vakanties, of later met zijn kleinkinderen op een camping aan zee.
En nu lag hij uiteindelijk hier op dit bed en nam afscheid van het
leven. Met de dood in zicht haalde hij zich ontelbare herinneringen
voor de geest, terwijl hij te ziek was om op de bel te drukken voor een
ogenblik van troost. Ik legde mijn hand op zijn arm, maar wat wist ik,
gevoelig meisje van zeventien jaar oud, van stervensbegeleiding? De
hoofdzuster zag mij weifelend bij het bed staan en riep vol door de zaal:
‘Zúster, je bent hier niet om te praten maar om te wérken!’.
Toen ik dezelfde hoofdzuster eens vroeg om mij voorlopig geen overleden
patiënten af te laten leggen, snauwde ze mij toe dat ik maar moest
denken dat ‘ze’ net zo waren als een uur daarvoor, alleen nu met hun ogen
dicht en koud en bleek. Dat was alle begeleiding die wij leerlingen kregen.
Uiteraard waren er genoeg collega's bij die daar minder moeite mee
hadden dan ik. God zij dank, want ik had ze hard nodig om mijn aflegbeurten
om te ruilen voor een avond of zelfs een weekenddienst. Ik was
letterlijk doodsbang voor de dood en geen wonder dus dat ik droomde
over versteende blauwe lichamen die ik alleen in de lift naar het mortuarium
moest brengen, al die gangen door, met mijn eigen holklinkende
voetstappen achter mij aan.
In de haast om weg te komen uit die ijskoude stille ruimte weet ik
zeker dat ik eens het verkeerde naamkaartje om de verkeerde teen heb
gehangen, maar ik heb niets gezegd uit angst om opnieuw die tocht
naar beneden te moeten maken.

Ergens in die tijd begon ik te denken dat er een lijkenlucht in mijn haar
hing die zich langzaam hechtte aan mijn kleding en handen, ik gooide
mijn kleding steeds sneller weg en ik was tijden bezig mijn haren en
handen te wassen. Maar dat was nog maar het begin.
Twaalfhonderd dagen sjokte ik met angst en tegenzin naar dit werk,
ik dacht er niet over om weg te lopen, te stoppen of kenbaar te maken
dat ik bang was voor de stinkende open wonden, de piepende ademhaling
's nachts, de wartaal, de raspende geluiden van slapende mensen
in het donker of voor de priemende ogen van de hoofdzuster.

Op een dag in de lente liet ze, in plaats van alle ramen wijd open te gooien
om eindelijk frisse lucht toe te laten op de afdeling, op alle bedden
een zwarte streep schilderen, dáár moest het steeklaken komen, geen
centimeter hoger of lager!
Ik stond stomverbaasd toe te kijken, mij afvragend hoe iemand op
een afdeling vol bijna dode mensen zich nog druk kon maken om een
steeklaken, maar aan het einde van diezelfde week controleerde ik wél
tien keer per dag of de steeklakens op mijn zaal wel recht op de streep
lagen.
Nog steeds krijg ik kippenvel als ik denk aan de ochtend vlak voor
koffietijd, toen ze haar mouwen opstroopte, strijdvaardig naar het mortuarium
liep en eigenhandig de broze botten van mevrouw B. brak, die
met haar kromgetrokken, doorgelegen en gekrompen lichaam niet meer
in de kist paste.
Een half uur later kwam ze weer naar boven en dronk rustig haar kopje
koffie leeg, ik keek naar haar handen terwijl ze een koekje doormidden
brak. ’Iemand moet het doen’, zei ze toen ze mijn blik opving, ‘er zijn
nu eenmaal geen doodkisten voor mensen met contracturen, zuster’. Ik
voelde afgrijzen en respect ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.7/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 5