Sneeuwwitje
Pieter-Paul Kamp
Pagina 1
Ik ben een albino. Dat betekent dat ik een hele witte huid heb, witte haren en niet goed kan zien. Sommige albino's hebben rode ogen en kunnen alleen maar rood zien. Ik heb geen rode ogen en kan gewoon alle kleuren zien.
Toen ik nog heel klein was, pakte mijn tante mij uit mijn bedje. Ze zag dat mijn ogen trilden en schreeuwde: 'Er moet een dokter komen, zijn ogen doen zo raar'. Henk, mijn vader, keek goed in mijn ogen en zei: ‘Je hebt gelijk, zijn ogen trillen echt’. Mijn vader was altijd wel een klein beetje ongerust en bemoeide zich overal mee, maar toch is hij heel lief. En mijn moeder, Liesje, was heel druk met haar werk. Ze was hele dagen op pad voor haar werk en kon toen niet voor mij zorgen, want ik had natuurlijk wel aandacht nodig.
Toen ik een jaar of zeven was, ging ik naar de gewone school. Daar was het erg leuk, maar ik was wel slechtziend. Dat zit nou éénmaal in de natuur. O ja, ik heb ook nog een zus, Anneke. Ze was heel bezorgd en lief. Ze zei altijd, nu nog steeds trouwens: ‘Als er iemand ruzie met je zoekt dan kom ik je helpen. Dan vlieg ik door de lucht naar je toe om je te helpen. Je eigen superheld.’ Maar mijn zus is ook een echte grapjas. Maar soms kunnen we elkaar niet luchten of zien. Dat is nou eenmaal zo tussen broers en zussen. Anneke is net als ik ook slechtziend. Een albino. Oh, ik ben helemaal vergeten jullie dat te vertellen. Ik ben een albino. Dat betekent dat ik een hele witte huid heb, witte haren en niet goed kan zien. Sommige albino's hebben rode ogen en kunnen alleen maar rood zien. Ik niet. Ik heb geen rode ogen en kan gewoon alle kleuren zien en mijn zus ook. Maar wij kunnen dus wel minder zien. Mijn zus ziet 70 procent. Een ‘procent’ is alleen maar bestemd voor oogartsen. Je hebt er niets aan, maar je kunt het wel aan iemand vertellen. Ik zie 30%. Ik ben ook heel wit. Ik kan niet tegen de zon. Ik heb geen huiskleur. Maar terug naar mijn verhaal.
Toen ik ongeveer 10 jaar was, ging ik naar een andere klas. Ik ging bijna huilen, omdat ik weg ging, maar ik moest toch verder. Verder naar groep 7. In groep 7 voelde ik mijn hart in mijn keel
kloppen. Ik dacht: ik moet terug. Maar toch ging ik heel langzaam naar de deur. Ik deed de deur open en zag een nieuwe juffrouw voor mij staan. Ik keek de klas rond. De juffrouw zei tegen eerst tegen mij: 'Kom maar binnen hoor, wees niet bang'. En daarna tegen de klas: 'Ik ga jullie voorstellen aan een nieuwe leerling. Hij heet Pieter. Hij heeft een handicap, maar daar mogen jullie hem niet mee pesten. Ik waarschuw jullie. Ik hoop dat hij het hier leuk vindt.’ Tim stak zijn vinger op. ‘Juf, wat voor handicap heeft hij dan?’
De juf vroeg aan Pieter: ‘Vertel jij het zelf?’ ‘Nee, doe jij maar juf’, zei Pieter. De juf zei tegen Pieter dat hij haar wel Els mocht noemen en aan de klas vertelde Els over de handicap van Pieter. ‘Ga daar maar zitten, Pieter’, zei Els. ‘Waar?’, vroeg Pieter. Els wijst naar het midden van de klas. Gelukkig begrijpt ze snel dat Pieter niet ziet waar ze naar wijst en brengt ze hem naar zijn plek. Al gauw beginnen er een paar klasgenoten te roddelen. Ze zeiden allemaal gemene dingen. Zoals Sneeuwwitje, Pieter Post, Pietje Puk en albino. ‘Wat zijn zij een stomme lui’, dacht Pieter en fronste boos zijn wenkbrauwen. Dit ging een lange tijd zo door. Elke dag zat Pieter hier aan te denken. Hij vond het niet meer leuk op school. Ook sliep hij niet meer goed. Hij kreeg nachtmerries dat hij steeds erger gepest werd. Hij werd er zat van. Hij ging naar juf Els en zei met een huilend gezicht: 'Ze moeten stoppen juf, ik word er gek van. Ik krijg er nachtmerries van. Laat ze alsjeblieft stoppen.’ Els zei: 'Je moet het zelf oplossen, Pieter. Je moet wat meer ...
Toen ik nog heel klein was, pakte mijn tante mij uit mijn bedje. Ze zag dat mijn ogen trilden en schreeuwde: 'Er moet een dokter komen, zijn ogen doen zo raar'. Henk, mijn vader, keek goed in mijn ogen en zei: ‘Je hebt gelijk, zijn ogen trillen echt’. Mijn vader was altijd wel een klein beetje ongerust en bemoeide zich overal mee, maar toch is hij heel lief. En mijn moeder, Liesje, was heel druk met haar werk. Ze was hele dagen op pad voor haar werk en kon toen niet voor mij zorgen, want ik had natuurlijk wel aandacht nodig.
Toen ik een jaar of zeven was, ging ik naar de gewone school. Daar was het erg leuk, maar ik was wel slechtziend. Dat zit nou éénmaal in de natuur. O ja, ik heb ook nog een zus, Anneke. Ze was heel bezorgd en lief. Ze zei altijd, nu nog steeds trouwens: ‘Als er iemand ruzie met je zoekt dan kom ik je helpen. Dan vlieg ik door de lucht naar je toe om je te helpen. Je eigen superheld.’ Maar mijn zus is ook een echte grapjas. Maar soms kunnen we elkaar niet luchten of zien. Dat is nou eenmaal zo tussen broers en zussen. Anneke is net als ik ook slechtziend. Een albino. Oh, ik ben helemaal vergeten jullie dat te vertellen. Ik ben een albino. Dat betekent dat ik een hele witte huid heb, witte haren en niet goed kan zien. Sommige albino's hebben rode ogen en kunnen alleen maar rood zien. Ik niet. Ik heb geen rode ogen en kan gewoon alle kleuren zien en mijn zus ook. Maar wij kunnen dus wel minder zien. Mijn zus ziet 70 procent. Een ‘procent’ is alleen maar bestemd voor oogartsen. Je hebt er niets aan, maar je kunt het wel aan iemand vertellen. Ik zie 30%. Ik ben ook heel wit. Ik kan niet tegen de zon. Ik heb geen huiskleur. Maar terug naar mijn verhaal.
Toen ik ongeveer 10 jaar was, ging ik naar een andere klas. Ik ging bijna huilen, omdat ik weg ging, maar ik moest toch verder. Verder naar groep 7. In groep 7 voelde ik mijn hart in mijn keel
kloppen. Ik dacht: ik moet terug. Maar toch ging ik heel langzaam naar de deur. Ik deed de deur open en zag een nieuwe juffrouw voor mij staan. Ik keek de klas rond. De juffrouw zei tegen eerst tegen mij: 'Kom maar binnen hoor, wees niet bang'. En daarna tegen de klas: 'Ik ga jullie voorstellen aan een nieuwe leerling. Hij heet Pieter. Hij heeft een handicap, maar daar mogen jullie hem niet mee pesten. Ik waarschuw jullie. Ik hoop dat hij het hier leuk vindt.’ Tim stak zijn vinger op. ‘Juf, wat voor handicap heeft hij dan?’
De juf vroeg aan Pieter: ‘Vertel jij het zelf?’ ‘Nee, doe jij maar juf’, zei Pieter. De juf zei tegen Pieter dat hij haar wel Els mocht noemen en aan de klas vertelde Els over de handicap van Pieter. ‘Ga daar maar zitten, Pieter’, zei Els. ‘Waar?’, vroeg Pieter. Els wijst naar het midden van de klas. Gelukkig begrijpt ze snel dat Pieter niet ziet waar ze naar wijst en brengt ze hem naar zijn plek. Al gauw beginnen er een paar klasgenoten te roddelen. Ze zeiden allemaal gemene dingen. Zoals Sneeuwwitje, Pieter Post, Pietje Puk en albino. ‘Wat zijn zij een stomme lui’, dacht Pieter en fronste boos zijn wenkbrauwen. Dit ging een lange tijd zo door. Elke dag zat Pieter hier aan te denken. Hij vond het niet meer leuk op school. Ook sliep hij niet meer goed. Hij kreeg nachtmerries dat hij steeds erger gepest werd. Hij werd er zat van. Hij ging naar juf Els en zei met een huilend gezicht: 'Ze moeten stoppen juf, ik word er gek van. Ik krijg er nachtmerries van. Laat ze alsjeblieft stoppen.’ Els zei: 'Je moet het zelf oplossen, Pieter. Je moet wat meer ...

Beoordeel dit verhaal:
Huidige waardering: 6
