[A+] [x]
Aandoening: Diabetes
Brieven aan mijn huisarts
Islana van Langerhans
Pagina 3

...sneeuwt al vier dagen.
Het is koud in de dagen voor Kerstmis. Ik kijk naar onze zoon, die
in de box de bewegingen van zijn handjes volgt. Al een kwartier
lang zit ik in de stoel en voel me moe. Alle energie, die al die jaren
in me gewoond heeft, lijkt opgelost. Een glas water staat voor me.
Ik volg de sneeuwvlokken die langs het raam gaan en dan is er plotseling
die gedachte: Ik zal toch geen suikerziekte hebben? Pappa
dronk soms ook zoveel.
De huisarts woont honderd meter bij ons vandaan. Ik vraag of
mijn schoonvader even op wil letten. “Ik wil wat urine van je heb-
ben,” zegt de dokter als ik bij hem ben. Hij geeft een flesje mee
en ik ga naar het toilet. Het onderzoek van de urine duurt enige tijd;
ik wacht in spanning af. Als de arts terugkomt, zegt hij: “Het is
toch beter dat ik een afspraak voor je maak in het ziekenhuis”.

Thuisgekomen zit ik bij de tafel en kijk weer naar buiten. Maar de
sneeuwvlokken, die nog steeds neerdwarrelen, zie ik niet. Er is
geen angst, ik voel me niet nerveus. Ons zoontje huilt en ik pak hem
op. Mijn man komt thuis, we drinken koffie en ik vertel over de
afspraak met het ziekenhuis. Het is 22 december 1963.
Twee dagen later volgt er een poliklinisch onderzoek in het ziekenhuis.
Nog diezelfde middag zit ik tegenover de internist. “We
hebben de uitslag van het onderzoek,” begint hij, “Ik lees hier dat
u al sinds drie weken klachten heeft over dorst, moeheid, haaruitval,
veel urineren en vermagering”. Hij kijkt me aan en dan zegt hij:
“U heeft inderdaad suiker in de urine. Ik vind het erg dat ik het
zeggen moet, maar u heeft suikerziekte, diabetes mellitus zoals het
genoemd wordt.” Even is het stil in de spreekkamer. Ik staar naar
het bureau, maar zie niet wat daarop ligt. “Dus toch...” Dan kijk ik
hem aan. Hij heeft een vriendelijk gezicht en zegt zacht: “Je mag
daar best om huilen, hoor.” Maar ik schud met mijn hoofd nee, zeg
niets en slik even. Ik kijk naar de dokter, naar zijn bureau en weer
naar zijn gezicht. “Gaat het?” vraagt hij bezorgd. Ik knik en antwoord:
“Als iemand van ons gezin het moet krijgen, is het het beste
dat ik het ben. Mijn broers studeren en werken, mijn ene zusje kan
het niet aan en de andere is nog zo jong”. Ik hoor mezelf de dingen
zeggen die de laatste tijd steeds weer in mijn gedachten zijn
geweest. Weer schud ik met mijn hoofd, kijk naar de grond en
denk aan mijn vader. “Nee, dokter, zo is het ‘t beste, ik kan het wel
aan”.
“We moeten je opnemen,” zegt hij.
“Wanneer?” vraag ik.
“Nu meteen,” antwoordt hij beslist.
“Maar dat kan niet,” roep ik verschrikt, “mijn man, ons kind, wat
moet ik doen?”
“Probeer vandaag een oplossing te zoeken,” raadt hij aan, “en
kom zo snel mogelijk weer hier”.
Als ik het ziekenhuis verlaat, voel ik toch twee tranen langzaam
over mijn wangen glijden. Ik heb suikerziekte en ik ben nog maar
kort geleden drieëntwintig jaar geworden.
Vier uur later ben ik weer in het ziekenhuis terug, wat nachtgoed
en toiletspullen mee. Ons zoontje is bij mijn ouders. Mijn man is
bij mij. Het is kerstavond, 24 december, mijn man is vandaag jarig
en wij beiden liggen alleen in een bed en weten niet wat de toekomst
brengen zal...

In de laatste week van december en de eerste week van januari krijg
ik mijn ‘overlevingspakket’: elke ochtend een insuline-injectie en
gedurende de dag een dieet. Mijn man komt op bezoek; als het
even kan neemt hij ons zoontje mee. Mijn ouders komen. Pappa
staat naast mijn bed en houdt mijn hand vast. Wat gaat er in hem
om? We hebben er nooit over gesproken...
Op zes januari mag ik naar huis. Mijn kleine gezinnetje past zich
direct aan. De dagindeling wordt gedirigeerd door de strenge dieetvoorschriften.
Ik moet ook de verzorging van ons zoontje daarop
aanpassen. Met een equivalentielijst ben ik, samen met mijn man,
in de weer om de juiste hoeveelheden voedsel te bepalen en af te
wegen. Ik moet leren op tijd te reageren, door iets te eten, als ik
me ‘slap’ voel worden. ‘s Morgens, stipt half negen, komt de wijkverpleegster,
een kordate vrouw, me een insuline-injectie geven.
“Wil jij me niet inspuiten?” probeer ik voorzichtig bij mijn echtgenoot.
“Lieve schat,” antwoordt hij, “het is het beste als je het zelf
leert. Dan ben je niet meer afhankelijk, niet van de zuster en niet
van mij”. Waarom ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.8/5
Huidige waardering: 6