[A+] [x]
Aandoening: Diabetes
Brieven aan mijn huisarts
Islana van Langerhans
Pagina 2

...uitziet, grauw papier en dichtgebonden
met een touwtje van slechte kwaliteit. Oorlogskwaliteit.
Heel voorzichtig maak ik het open. Het jaartal kan ik niet
goed lezen, is het 1943 of 1944? Drie of vier jaar nadat ik geboren
ben.

2

Lente, zomer, herfst, winter, seizoen na seizoen ronken vliegtuigen,
bommenwerpers over Nederland. Een jaar, twee jaar, drie jaar...
Vaag herinner ik me het geluid van brommende motoren van vliegtuigen,
geweerschoten op het voetbalveld, marcherende soldaten
en ‘mamma moet komen’, ‘het is zo donker in mijn bedje’ ... Het kleine,
tweeduizend inwoners tellende dorpje bij het Alkmaardermeer
waar ik geboren ben, beleeft onzekere tijden vol spanning in de
oorlogsjaren.
Iets duidelijker herinner ik me de slaapkamer van mijn ouders
waar ik, naast mijn moeder, voor het bed sta. Mijn vader ligt in
bed en op het nachtkastje staat een flesje en watten, een schaaltje
met suiker erin en, in een metalen houder, een spuit met injectienaaldjes
er omheen. “Is pappa ziek?” vraag ik en houd mamma’s
hand stevig vast. Pappa knikt vanuit het bed en mamma zegt: “Ja,
pappa moet in bed blijven, hij is heel ziek”. Ik kijk naar het magere
gezicht van mijn vader; hij lacht naar me.

Diabetes, inspuiten, dieet, hypo’s; al vanaf mijn geboorte heeft het
meegewandeld in mijn leven. Het hoort erbij, er is niets vreemd aan
als mijn vader zich in zijn kuit inspuit. ‘s Morgens geeft hij zichzelf
een injectie, het weegschaaltje staat op tafel, er is een afgepast
dieet. Mijn een jaar oudere broertje en ik zien niet hoe weinig
dit is, wel hoe lekker zijn brood smaakt. Drie hele dunne sneetjes
‘regerings’-brood met een dikke laag boter en veel kaas. Oude kaas
dat vindt hij heerlijk. Soms sta ik, als hij aan het eten is, bij zijn stoel
en kijk naar hem. De boterham is in kleine dobbelsteentjes gesneden.
Zo lijkt het meer. “Wil je een stukje, zussie?” vraagt pappa
dan. Ik knik en dan geeft hij een dobbelsteentje van dat heerlijke
brood met een laag boter erop.
Mamma’s zorg voor mijn vader is groot. Altijd houdt zij hem
ongemerkt in het oog en nu nog kan ik me haar stem herinneren
als ze vroeg: “Moet je wat eten, lieverd?” Of ze gaf hem een boterham
en zei: “Eet die maar even op”.
Het dieet dat mijn vader heeft is erg streng en suiker was ten
strengste verboden. Alleen bij een hypo wordt suiker gegeven.
Mijn vader heeft een afkeer van suiker. Al die jaren dat hij suikerziekte
heeft, heeft hij zich onbewust eigen gemaakt: “Ik mag geen
suiker hebben”.

3

Op achttienjarige leeftijd ontmoet ik de leukste jongen van de hele
wereld en als we wat jaren later gaan trouwen, verhuis ik van het
hoofd van het grote waterrijke lichaam, het Alkmaardermeer, vijf
kilometer zuidelijker naar de voeten ervan. Ook een dorp, hoewel
het iets meer inwoners telt dan ‘mijn’ dorpje.
Het kleine appartementje op de bovenverdieping van het huis van
mijn schoonvader, waar wij wonen, barst uit zijn wanden van geluk
als onze zoon geboren wordt. De bevalling is in een kraamkliniek
en als ik onze zoon voor het eerst in mijn armen houd, lijkt de
wereld alleen te bestaan uit dit kleine wezentje, mijn man en ik.
Een koningskind! Donkere haartjes, donkerblauwe oogjes, zo mooi,
dat ik lach en huil en tril van emotie. Het gezichtje is een mini-kopie
van mijn vader, zijn pietepeuterige handjes pakken naar het leven.
“Wat is hij mooi, hè?” zeg ik zachtjes tegen mijn man. Terug op de
kraamkamer maak ik een mevrouw wakker, die daar ook ligt. “Ik
heb een zoon,” zeg ik, “we zijn zo blij”. Slaapdronken kijkt ze me
aan en ze knikt. “Ik ook,” zegt ze zacht.
Onwennig is het om moeder te zijn, vooral in het begin. Maar
naarmate de maanden verstrijken gaat het als vanzelf. Trots loop
ik in de warme zomermaanden achter de kinderwagen. Als de herfst
gekomen is, ga ik met mijn zoon op mijn arm voor het raam staan
en wijs naar de mooie gekleurde herfstblaadjes die naar beneden
dwarrelen. Ook loop of dans ik met hem door de kamer en zing kinderliedjes,
die mijn ouders me geleerd hebben. De decembermaand
is koud dat jaar, maar wij hebben er niet zoveel hinder van. Er is
warmte in ons huisje. Onze zoon groeit goed en mijn man vindt
de maaltijden, die ik met behulp van het ‘Margriet’-kookboek bereid,
lekker.
“Je moet wat meer eten,” zegt hij, “ik kan je middel nog steeds met
mijn handen omspannen”.
“Ik heb niet zoveel trek,” antwoord ik, “wel dorst, ik drink de laatste
tijd veel meer dan eerst”.

De wereld is bedekt met een witte deken. Het ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.8/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 6