[A+] [x]
Aandoening: Spierziekte
Mijn leven op wielen
Ineke Platel
Pagina 1

Een rolstoel maakt indruk. Op wie erin zit, maar ook op wie er aan
voorbijgaat. Zit je in een rolstoel dan ben je ineens anders. Je valt
op en uit de toon, je wordt ongevraagd in een rol gedwongen. Er is
geen keuze: je bent slachtoffer, je voelt je gestigmatiseerd, invalide...


Zo rechtlijnig dacht ik toen ik als groentje buitenshuis een elektrisch
aangedreven stoel in plaats van mijn benen ging gebruiken.
Ik had moeite met de verlaagde positie, van waaruit ik alles en
iedereen in een heel ander perspectief zag. In plaats van gezichten
zag ik benen, buiken en billen. Ik voelde me nietig, onwennig,
onveilig en aan alle kanten bekeken en gewogen. Mensen keken op
me neer zonder te zien wie ik was, ze liepen me voorbij zonder te
groeten of kozen geschrokken een veiliger heenkomen aan de overkant
van de straat. Een enkeling besloot dapper de confrontatie
aan te gaan. Gesprekken die uit pure onmacht over en weer in
gemeenplaatsen eindigden. Ik las onuitgesproken vragen in hun
ogen, zag het ongemak waarmee ze worstelden en de onzekerheid
die ze voelden. Ik probeerde mezelf te zien door hun ogen en
schrok van het beeld dat een etalageruit me voorspiegelde. Een
nietig figuurtje in een veel te grote stoel. Het hoofd gevangen in
een voorgevormde steun, het lijf scheef weggezakt, de knieën steunzoekend
tegen elkaar en de voeten naar binnen gedraaid. Ik voelde
me ongemakkelijk en probeerde krampachtig mijn houding te
verbeteren om er ‘normaler’ uit te zien. Ik leek in niets op de vrijgevochten,
zelfstandige, leuk uitziende en zelfverzekerde vrouw
die ik dacht te zijn. Mijn zelfbeeld wankelde…

De rolstoel maakte me van de ene dag op de andere tot iemand
anders. Ik kon mezelf niet los zien van dat lelijke ding op wielen,
net zo min als anderen daarin slaagden. Ik was zichtbaar gehandicapt,
iemand met wie rekening gehouden moest worden, die men
wel moest maar liever niet wilde zien. Mijn ‘hoi’, waarmee ik
gewoontegetrouw voorbijgangers toeriep, stokte steeds vaker in
mijn keel. Mensen liepen of fietsten voorbij, hoog boven me verheven,
de blik ver vooruit. Geen blijk van herkenning, geen tijd
of zin om te stoppen. Ik voelde me vreselijk verward, verontwaardigd,
verdrietig en miskend. Onbewust ging ik mensen uit de weg
om deze confrontatie te vermijden. Ik deed boodschappen op
momenten dat ik er zeker van was dat het rustig zou zijn en ik
‘wandelde’ het liefst met de hond als het ging schemeren. Ik voelde
me schuldig omdat ik anderen onzeker of verdrietig maakte,
terwijl ik juist het tegendeel zou wensen. Het liefst wilde ik een
tijdje onzichtbaar zijn om aan deze nieuwe situatie te wennen. Ik
wenste dat ik in een wildvreemde stad woonde, waar niemand me
kende.
De pijn van het moeizame lopen of staan was door de rolstoel
draaglijker geworden, maar de schrijnende pijn van de opgelegde
rol van gehandicapte was heviger en meer ingrijpend dan ik ooit
had verwacht. Ik was allerminst voorbereid op de overweldigende
lawine van emoties die zich als een waterval over me uitstortte en
waarin ik haast verdronk.
Thuis voelde ik me een koningin op mijn troon. Ik demonstreerde
iedereen die op bezoek kwam welke kunstjes ik en mijn rolstoel
konden en liet de gasten gul een proefritje maken. Sommigen vonden
het gênant, anderen kregen er niet genoeg van en speelden
lacherig ‘botsautootje’ met ons meubilair. Deze speelse kennismaking
van mijn familie en vrienden met mijn rolstoel had twee kan-
ten: anderen voelden even hoe het was om in zo’n stoel te zitten
en ik zag hoe het oogde.

De drempel naar buiten moest letterlijk overwonnen worden, elke
dag opnieuw. Mijn man leerde me – geduldig naast me rijdend –
alle technische kneepjes van mijn wonder op wielen en liet zien
wat wel en niet kon. Mijn dochter daagde me uit die lessen in praktijk
te brengen. “Kom ma, we gaan gezellig winkelen,” kondigde ze
op een zaterdagmorgen argeloos aan. Elke ‘maar’ werd resoluut
weggewuifd en na die ochtend zouden we regelmatig in het dorp
te zien zijn. Ik was vooral te vinden op de make-upafdeling van de
Etos, het Kruidvat en de DA-drogist, waar ik op grijphoogte moeiteloos
alle nieuwe kleuren lippenstift en oogschaduw kon testen.
Stapvoets rollend door de gangen van de Hema leerde ik nauwkeurig
sturen, beheerst ‘gassen’ en kort draaien. In de winkelstraten
ontdekte ik welke drempels de rolstoel wel of niet kon nemen,
waar gemene bulten in de stoep zaten en welke zaken al dan niet
rolstoelvriendelijk waren.
Samen met een ander naast of achter me was de buitenwereld
betrekkelijk veilig. Het leidde mijn aandacht af en voor het eerst
genoot ik weer ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 2.9/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 6