[A+] [x]
Aandoening: Prostaatkanker
Een buizerd boven Buitenveldert
Gerard Borst en Marja Kroef
Pagina 1

‘Ach,’ zegt de huisarts geruststellend, ‘een keertje extra ‘s nachts je bed
uit is niets bijzonders voor een man van boven de 50.’ Bij een volgend
bezoek is hij bereid met een vinger in mijn anus op onderzoek te gaan.
‘Niets aan de hand, ik vind niets ongewoons.’
Dat blijkt korte tijd daarna een gemiste diagnose - iets wat wel vaker
voorkomt. Bij een derde bezoek heb ik een overtuigend argument, dat
ik natuurlijk meteen had moeten gebruiken: ‘Mijn vader is aan prostaatkanker
overleden, en voor zover ik weet kan het erfelijk zijn.’ Dat
laatste spreekt mijn huisarts niet tegen, en ik krijg mijn verwijsbriefje voor
een uroloog.
Later. Ja, later weet een mens wel beter. Als geschiedkundige ken ik
het gelijk achteraf maar al te goed. Als alle informatie voorhanden is, oorzaken
en aanleiding gescheiden zijn en de gevolgen bekend, is een oordeel
mogelijk. Prostaatkanker komt op mijn leeftijd (ik ben dan 54 jaar)
bijna niet voor, en de vaakst gemiste diagnose bij huisartsen is uitgerekend:
kanker. Trouwens, de neurologe die ik om een verklaring vroeg van
de doffe pijn laag in mijn rug bij een ejaculatie (klaarkomen), weet die
pijn, enigszins geschokt dat ik dat aan de orde stelde, aan een eerdere hernia.

De specialist is, anders dan de meeste andere urologen die mij zullen
onderzoeken, een zachtmoedig man. Wel heeft hij, net als zijn vakgenoten,
een buitengewoon lange middelvinger. Later vraag ik me baldadig
af of zij daarop geselecteerd worden. Hij kijkt bezorgd als hij de
handschoenen in de afvalemmer gooit. ‘U moet nog even bloed laten
afnemen, en over veertien dagen terugkomen.’ De wachtkamer zit vol
grijze mannen en vrouwen. Dat dringt niet tot mij door.

‘We gaan nu via uw darm een stukje weefsel wegnemen voor onderzoek.
Het is wel onaangenaam, maar het doet geen pijn.’ Met mijn benen
omhoog en gespreid in koude glimmende goten, realiseer ik me voor
het eerst wat vrouwen doorstaan bij de gynaecoloog. Pijn doet het inderdaad
niet. Het maakt wel het droge knalgeluid van een pneumatisch
spijkerkanon, en ik vlieg van schrik bijna van de onderzoektafel. ‘Over
veertien dagen terugkomen.’ De wachtkamer met het zilvergrijs van
mensen, véél ouder dan ik. Te jong ben ik, maar toch bezorgd: de uroloog
kijkt steeds somberder.

Laatste bezoek. Ik ben meteen aan de beurt. Het gezicht van de uroloog
is haast zo wit als zijn jas. ‘Ik heb een akelige mededeling voor u. Prostaatkanker,
we hebben een grote tumor gevonden. Zo goed als zeker
kunnen we niets meer voor u doen. En dat op uw leeftijd, u bent nog zo
jong.’ Ik krijg een hartelijke hand; hij lijkt bijna in tranen.
Als ik buiten sta, blijken de wit-gejaste dames aan de balie ingelicht.
Ze kijken alsof ik ieder moment kan flauwvallen. Of ik koffie wil. ‘Liever
cognac,’ maar dat hebben ze niet. Hoe ik hier ben gekomen. ‘Met de
fiets.’ Of ze een taxi zullen bellen. Natuurlijk niet: ik wil fietsen, ik moét
fietsen, lang en hard. En nadenken.
Nu dringt tot me door waarom die wachtkamer zo grijs ziet. Er zitten
allemaal echtparen op leeftijd. De duiven volgen hun doffer op deze
moeilijke vlucht.

Ik fiets wel lang, maar langzaam, alsof het tempo van mijn gedachten
dat van mijn benen regeert: ‘Marja inlichten.’ Het mijn vier kinderen
niét vertellen, verwerp ik met de gedachte aan deze dialoog: ‘Pap, wat
is er?’ ‘Niets.’ ‘Jawel, je kunt niet liegen, er is wel iets.’ En dan ben ik in
tranen. Zo gaat dat tussen ons.

En verder: ‘Ik zeg (voorlopig) niets op mijn werk - mijn studenten belast
ik niet met mijn sores; ik ben er voor hen en zij zijn er niet voor mij.
‘Ik bel vanavond mijn broer Piet, de kankerspecialist in mijn medische
familie.’

Onderzoek, onderzoek

Mijn broer hoopt kennelijk dat de onheilspellende diagnose in Dordrecht
(die later geheel juist blijkt) een vergissing is. Hij regelt direct
een tweede beoordeling in Rotterdam, door professor S., de beste. Een
aardige man. Wel een uroloog met weer zo’n meterslange middelvinger.
Hij waarschuwt dat het pijn gaat doen en vraagt: ‘Doet dit pijn?’
‘Nog even, professor, en ik bijt uw vingertop af.’ Zijn assistenten, even
begaafd bevingerd, wringen me onder een aantal onderzoeksapparaten.
In het ziekenhuis in Amsterdam doen ze alles, en méér, nog eens. Een
heel vriendelijke dokter legt uit dat ze de instralingshoeken moeten
berekenen, en daarom de precieze plaats van de tumor meten en nameten.
‘Omdat er meetfouten van 20 á 30 procent mogelijk zijn,’ legt de
uroloog uit, ‘maken we u open om te kijken of er geen metastase is.’ De
hele procedure lijkt me een schoolvoorbeeld van de ...



Beoordeel dit verhaal:
  • Huidige rating: 3.1/5
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Huidige waardering: 6